Voortijdige uitstroom van jonge huisartsen is een opvallende trendbreuk
(HuisartsVandaag) Sinds 2020 stijgt het aantal stoppende huisartsen snel. De stijging is vooral opvallend voor huisartsen tussen de 35 en 55 jaar. Onderzoeksinstituut Nivel spreekt van een trendbreuk, begonnen in coronatijd. De meeste huisartsen die stopten zijn van de leeftijdsklasse 55 tot 65 jaar. Hun aantal steeg van 20 (2020) naar 80 (2021). Maar ook in de leeftijdsklassen 35-45 en 45-55 liep het aantal afhakers op, van zo’n twintig naar ruim veertig huisartsen per klasse. Een verklaring voor de cijfers geeft Nivel niet; het onderzoek is slechts cijfermatig. In 2021 telde Nederland ruim dertienduizend werkzame huisartsen.
Nivel heeft het onderzoek uitgevoerd in opdracht het Capaciteitsorgaan. Hiervoor zijn voor het eerst niet alleen gegevens van het CBS en Beroepenregistraties in de Gezondheidszorg van het Nivel gebruikt, maar ook gegevens van de Stichting Pensioenfonds Huisartsen (SPH).
Steeds meer taken toegeschoven krijgen
Vorig jaar mei bleek uit een enquête onder zeshonderd huisartsen van onderzoekscollectief Spit en Trouw, dat huisartsen hun werk vooral zwaar vinden. Slechts 20 procent van de bevraagde artsen verwachtte toen nog in 2037 als huisarts te werken. Het werk is onder andere zwaar omdat de huisarts steeds meer taken toegeschoven krijgt, vanuit de ggz en ziekenhuizen bijvoorbeeld. Ook uit dat onderzoek bleek dat steeds meer huisartsen afhaakten.
Uit evenwicht
Nivel voorspelde eerder al dat op korte termijn de huisartsenzorg uit evenwicht zal raken. Over zes jaar bijvoorbeeld, zal Zeeland een tekort kennen van 40 procent. Dat is een ernstige ontwikkeling, omdat de huisartsen relatief goedkoop goede zorg bieden en weten naar wie ze patiënten moeten doorverwijzen. Steeds meer huisartsen voeren ook, genoodzaakt door de hoge werkdruk, een patiëntenstop in.
De trendbreuken die zichtbaar zijn vanaf 2020, het jaar waarin de coronacrises een groot beroep deed op de huisartsenzorg, geven het belang aan deze goed te blijven monitoren. Voor de ramingen van het Capaciteitsorgaan zijn de effecten van voortijdige uitstroom een belangrijk gegeven om mee te nemen in de aanbodprognoses.