Nieuws

‹ vorige Terug naar lijst ^ volgende ›

  • Praktische tips voor het verbeteren van de stoppen-met-roken-zorg in de huisartsenpraktijk

    HuisartsenService, 06 september 2019

    Verslavingsartsen Dr. Trudi Tromp- Beelen en dr. Robert vd Graaf hebben in de laatste editie van het magazine huisartsenservice een mooi artikel geschreven ove rhet verbeteren van de stoppen met roken zorg in de huisartsenpraktijk.

Introductie

Het roken van tabak is nog steeds de belangrijkste te voorkomen oorzaak van ziekte en sterfte in ons land. Zo’n miljoen mensen hebben een ziekte ten gevolg van het roken en elk half uur sterft een roker aan de gevolgen van deze verslaving. Nederland telt circa 3,1 miljoen rokers, waarvan zo’n 2,3 miljoen dagelijks roken (475.000 ‘zware rokers’: ≥20 sigaretten per dag; 1.825.000 ‘matige rokers’:
Rokers denken bij risico’s van roken vooral aan hun longen. Roken heeft echter ook effect op het hart- en vaatstelsel. Nicotine veroorzaakt vasoconstrictie, verhoogt de bloeddruk en hartfrequentie. Koolmonoxide verdringt zuurstof in het bloed en verschillende tabaksdeeltjes zijn verantwoordelijk voor het beschadigen van de vaatwand. Cardiovasculaire aandoeningen, aneurysmata van de buikaorta, atherosclerose, ischemische hartziekten, claudicatio intermittens en cerebrovasculaire aandoeningen worden allen veroorzaakt door roken. Bij zo’n 40 sterfgevallen per week als gevolg van een cardiovasculaire aandoening, is roken rechtstreeks aanwijsbaar als oorzaak. Voor een nog grotere groep rokers is roken een medeoorzaak van overlijden naast andere risicofactoren. Zorgprofessionals kunnen vanuit hun professionele positie een grote rol hebben in het voorkomen en het behandelen van tabaksverslaving en daarmee in het voorkomen van alle negatieve gevolgen van het roken, zoals de overdracht van deze verslaving van ouder op kind. In dit artikel worden tips gegeven om de praktijkvoering van het stoppen-met-roken in de eerstelijn te verbeteren.

De Zorgprofessional als rolmodel

Zorgprofessionals zijn een belangrijk rolmodel als het gaat om gezondheid en gezond gedrag. Een zorgverlener die bij patiënten bekend staat als roker, die rookt in het zicht van patiënten, naar rook ruikt of eigen tabakswaren in het zicht in de spreekkamer heeft liggen, zal een minder gunstig effect hebben op de behandeling van iemand met een tabaksverslaving. Probeer daarom niet als roker identificeerbaar te zijn voor je patiënten en bij voorkeur rook je zelf natuurlijk helemaal niet. Ook buiten werktijd heb je een voorbeeldfunctie. Als rokende zorgverlener kun je (net als je patiënten) moeite hebben met het niet-roken (tijdens je werk). Overweeg om ook zelf bewezen effectieve hulp te zoeken, omdat daarmee de kans om blijvend van het roken af te komen groter wordt.

Rookstatus

In de praktijk vindt een deel van de zorgprofessionals het lastig om tijdens een consult het roken te agenderen, bijvoorbeeld vanuit de vrees dat het de behandelrelatie negatief kan beïnvloeden. Anderen zien het niet als hun primaire taak of geven weliswaar wel een kort stopadvies, maar zien niet meer mogelijkheden om wat uitgebreider stil te staan bij het onderwerp. Ook kan het eigen rookgedrag van de zorgprofessional in de weg zitten. Verder kunnen suboptimale basiskennis over de behandeling van tabaksverslaving of de veelal beperkte verwijsmogelijkheden in de regio andere redenen zijn. Veel rokers weten wel dat roken ongezond is. Je ‘witte jas’ straalt daarbij ook zonder woorden het advies uit dat je als patiënt beter niet kan roken. Patiënten verwachten van een zorgverlener een rookstopadvies te krijgen en blijken dit ook te accepteren. Zo’n 80% van de rokers heeft bovendien een actuele stopwens. Er is dan ook geen enkele reden om niet over roken te praten met je patiënten. Mocht je signalen ontdekken dat iemand rookt, dan heb je een goede aanleiding om het onderwerp te agenderen. Je kunt hierbij ook actuele landelijke of regionale zaken omtrent tabaksontmoediging aangrijpen om het over roken te hebben, zoals de jaarlijks terugkerende Stoptober-campagne, Rookvrije Generatie initiatieven (www.rookvrijegeneratie.nl), of de jaarlijkse Wereld-Niet-Roken dag op 31 mei. Vraag bij elke patiënt naar de zogenaamde rookstatus: nooit-roker, ex-roker of roker. Probeer bij rokers een indruk te krijgen of er sprake is van een tabaksverslaving of niet en hoe ernstig en/of complex deze verslaving is. Houdt er rekening mee dat de meeste mensen die zonder bewezen effectieve hulp gestopt zijn, binnen een jaar toch weer roken. Vraag daarom ook bij een ex-roker hoelang degene al gestopt is en of er nog risicosituaties voor terugval zijn.

|Rookstop advies

Geef in een gesprek met de roker redenen waarom juist deze roker zou moeten stoppen met roken en geef daarbij ook algemene informatie over de schadelijkheid van roken. Alleen stoppen leidt tot gezondheidswinst, minderen reduceert de schadelijkheid onvoldoende. Minderen kan wel een stap zijn op weg naar stoppen. Benoem niet alleen medisch redenen om te stoppen, maar geef ook aandacht aan de directe omgeving en eventueel aanwezige kinderen (de ‘Rookvrije Generatie’). Geef uitleg over de behandeling en de behandelmogelijkheden. Mocht iemand niet willen stoppen met roken, zorg dan dat het onderwerp op een later moment weer wordt geagendeerd en maak hier afspraken over met je patiënt.

Zelf behandelen of doorverwijzen ?

Bepaal of je als zorgprofessional deze roker volledig zelf gaat behandelen, of dat je dit samen met een collega doet of dat je gaat verwijzen. Schat in wat de ernst van de tabaksverslaving is. Denk aan eventuele co-morbiditeit wat de behandeling ingewikkelder kan maken. Verwijs zo nodig naar de gespecialiseerde verslavingszorg in de regio.

Farmacotherapie

Over het algemeen is de combinatie van gedragsmatige begeleiding én medicatie het meest effectief. Belangrijk is dat farmacotherapie altijd gepaard dient te gaan met goede begeleiding! Nicotinevervangende middelen (NVM) zijn bij farmacotherapie volgens alle richtlijnen eerste keus, ook bij patiënten met cardiovasculaire aandoeningen. Hoewel ook de nicotine uit NVM niet helemaal zonder risico’s is bij deze patiëntengroep, zijn NVM in principe minder riskant dan doorroken. De kans op trombose is lager en er is geen exposure meer aan koolstofmonoxide. Wanneer het zonder medicatie niet lukt om te stoppen, dan gaat de voorkeur uit naar het gebruik van NVM, ook vanwege het relatief gunstige bijwerkingenprofiel. De eerste keus is dan een nicotinepleister (à 7 mg bij circa 10 sigaretten, à 14 mg bij circa 15 sigaretten en à 21 mg bij circa 20 sigaretten), omdat er een stabiele nicotinespiegel wordt afgegeven in plaats van de nicotinepieken bij het roken van sigaretten. Bovendien wordt het orale (rook)gedrag doorbroken. Het effect van nicotinepleisters kan worden vergroot door daarnaast laag gedoseerde nicotine zuigtabletten of sublinguale tabletjes (1 – 1,5 of 2 mg) toe te voegen, voor momenten dat de pleister de zucht (craving) naar sigaretten onvoldoende kan onderdrukken. Varenicline, bupropion en nortriptyline zijn tweede keus. Raadpleeg de NHG-standaard of het Farmacotherapeutisch Kompas voor doseringsrichtlijnen of overleg met een verslavingsarts in de buurt.

Dossiervoering en overdracht

Vermeld de rookstatus en het besproken rookstopadvies in het dossier van de patiënt. Ook gedurende het tabaksverslavingbehandeltraject is het van belang om goed het verloop vast te leggen. Zorg voor een volledige overdracht mocht de patiënt verder behandeld worden door een andere zorgverlener. Een verslaving is net als lichamelijke ziekten een aandoening, probeer dan ook op dezelfde manier met dossiervoering en overdracht om te gaan.

Zorgprofielen

Het is van belang dat je de zorg voor je rokende patiënten goed georganiseerd hebt. Het is handig om daarbij de vijf zorgprofielen, zoals genoemd in de NHG Zorgmodule Leefstijl Roken (2019) als basis te gebruiken. Zorgprofiel 1 heeft voldoende aan zelfmanagement. Zorg dat je patiënten kan helpen aan zelfmanagement tools. Zorgprofiel 2 geef je een kort stoppen-met-rokenadvies. Een korte motiverende interventie biedt je aan rokers uit zorgprofiel 3 aan. Een intensieve ondersteunende interventie bij zorgprofiel 4 en in het geval van zorgprofiel 5 moet je overwegen of je de patiënt niet beter motiveert en doorverwijst naar de gespecialiseerde multidisciplinaire verslavingszorg. Dat je voor elk soort roker de juiste zorg beschikbaar hebt, is van het grootste belang. Voor meer informatie kun je kijken op www.rokeninfo.nl/professionals. Op deze website kun je als professional ook vragen stellen die worden beantwoord door een expertpanel. www.ikstopnu.nl - ook vermeld op elk pakje sigaretten - geeft (ook voor patiënten) goede informatie. Trudi (P.G.) Tromp-Beelen, verslavingsarts en voorheen huisarts Robert (R.C.) van de Graaf, verslavingsarts Verslavingszorg Noord Nederland

Artikel in HuisartsenService 2019-2

Download hier het PDF van het artikel of lees het online via onderstaande link.

Lees online in het magazine HuisartsenService

_hs_19.2_1416.pdf