Nieuws

‹ vorige Terug naar lijst ^ volgende ›

  • Goede zorg vraagt om extra focus op samenwerking

    Goede zorg vraagt om extra focus op samenwerking

    HuisartsenService, 28 mei 2019

    De uitwisseling van medische gegevens tussen huisartsen en specialisten is vaak gebrekkig. Het is een typisch voorbeeld van hoe binnen de oceaan die zorg heet ieder op zijn eigen eiland lijkt te werken. En de patiënt? Die dobbert daar doorheen, in de hoop uiteindelijk heelhuids aan land te komen…   Goed, bovenstaand scenario gaat vrij kort door de bocht, maar feit is wel dat samenwerking op alle niveaus nog best een heet hangijzer blijft in de totale zorg. Niet alleen in de communicatie tussen eerste- en tweedelijn, maar ook tussen diverse eerstelijnszorgverleners, of zelfs binnen de eigen praktijk. Samenwerking is het afgelopen decennium belangrijker geworden dan ooit, maar op veel fronten wordt er nog altijd gewerkt alsof er niets veranderd is. Dat is dan ook een instinctief menselijke reactie. Als veranderingen (te) snel gaan, sluit je jezelf af. Zeker de huisartsen die nog gewend waren om alleen met een of twee assistenten samen te werken, zien zich geconfronteerd met een wereld waarin ze onderdeel zijn van een te managen team. Een team waarin assistenten en praktijkondersteuners werkzaam zijn, waarmee in steeds meer gevallen binnen een groepspraktijk gewerkt wordt en er dus samenwerkingsverbanden moeten ontstaan met de andere huisartsen in hetzelfde zorgcentrum, om nog maar te zwijgen over eventuele andere partijen onder hetzelfde dak, zoals fysiotherapeuten, diëtisten, apotheken et cetera. Om op het gebied van ketenzorg te kunnen onderhandelen met de zorgverzekeraars, moet je aansluiten bij een zorggroep, hetgeen ook weer overleg met de collega’s in die zorggroep met zich meebrengt. De kruisverbanden stapelen zich alleen maar op, ga er maar aanstaan.

OBSTAKELS

Het veranderde landschap vraag niet alleen een andere manier van werken voor de huisarts, maar ook voor de assistent, of voor ieder ander binnen het grotere geheel werkzame persoon. In zo’n setting kún je niet meer werken alsof we nog in de 20ste eeuw leven. De interessante situatie is inmiddels ontstaan dat jongere medewerkers niet anders meer weten en op hele natuurlijke wijze door de huisartsenpraktijk van nu laveren. De oudere garde ervaart obstakels. Wederom vrij kort door de bocht, maar dit is wat het team van Huisartsen- Service heel ruw genomen constateert als we in gesprek zijn met huisartsen. Het is ook iets wat naar voren komt uit de gratis Quickscan die we huisartsenpraktijken aanbieden rondom de organisatie van chronische zorg. 

MEER COMPLEX

Samenwerking is het afgelopen decennium alleen maar belangrijker geworden, maar wat ook in die periode is veranderd is de manier waarop veel nieuwe huisartsen werken. Het aantal huisartsen in Nederland is volgens NIVEL-cijfers in de tien jaar tot 2017 met 21 procent gestegen. Dat leidde echter tot slechts 9 procent meer arbeidsvolume. Dit vanwege een veranderende beroepsopvatting bij de jongere huisartsen. Vooral het vrouwelijk deel daarvan is parttime aan het werk. Dat vraagt voor die groep dus een continue overdracht met collega’s om zo een populatie te kunnen blijven bedienen. Onderwijl is de zorgvraag ook ingrijpend veranderd. Het aantal 65-plussers blijft stijgen, de zorgvraag uit die groep (inmiddels zo’n 32 procent van de spreekuur-tijd), neemt alleen maar toe. Daarnaast heeft de eerstelijnszorg veel meer taken toebedeeld gekregen om zo onder meer de druk op de tweedelijn te doen afnemen, waardoor de eerstelijnszorg alleen maar meer complex wordt.

OPLOSSINGEN

Dat maakt op zijn beurt weer dat de huisartsenzorg onder druk staat en steeds meer binnen de eerstelijnszorg werkende mensen met burn-out klachten te kampen hebben. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) publiceerde begin dit jaar het onderzoek Meer Tijd Voor De Patiënt, waaruit duidelijk werd dat optimale eerstelijnszorg in het gedrang lijkt te komen. Met name de hervormingen in de langdurige zorg leiden tot een toenemende zorgvraag in de huisartsenpraktijk. “Dit vind ik een ernstig signaal dat serieus genomen moet worden”, zo reageerde minister Bruno Bruins van Medische Zorg en Sport. “Er moet breed worden gekeken naar oplossingen en niet alleen naar de praktijkverkleining.” Nu leek praktijkverkleining aanvankelijk een logische oplossing. Want minder patiënten per praktijk betekent in theorie per saldo meer tijd voor de patiënt. Gezien de manier waarop tegenwoordig wordt gewerkt, zet het echter niet genoeg zoden aan de dijk. De minister wil dan ook meer ruimte creëren voor verdere samenwerkingsverbanden in de eerstelijnszorg. “Om ervoor te zorgen dat huisartsen voldoende tijd hebben voor de patiënt, zie ik meerdere oplossingen”, zo schrijft hij in een brief aan de Kamer. “Het ministerie van VWS werkt samen met de LHV aan het uitzetten van een onderzoek om zicht te krijgen op factoren die bepalend zijn voor huisartsen om wel of niet in een bepaald gebied te willen werken. Op dit moment is daar geen duidelijk beeld van. Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de motivatie van huisartsen en mobiliteitswensen; niet alleen feiten en cijfers. Naar aanleiding van het onderzoek kunnen we gezamenlijk inzetten op gerichte oplossingen om de huisartsenzorg voor iedereen toegankelijk te houden. Bovendien maken we het in de bekostiging mogelijk dat huisartsen een praktijkmanager kunnen aanstellen voor het overnemen van niet-patiëntgebonden taken. Daarnaast hebben we mogelijkheden gecreëerd dat de huisarts bepaalde vormen van zorg binnen de eigen praktijk kan overdragen aan praktijkondersteuners, physician assistants en verpleegkundig specialisten. Ook de inzet op vermindering van regeldruk helpt om meer tijd te hebben voor de patiënt. Tot slot dragen goede samenwerkingsafspraken tussen bijvoorbeeld huisartsen, andere eerstelijnszorgverleners en gemeenten er aan bij dat de huisarts er niet alleen voor staat en de patiënt gericht kan verwijzen naar een andere zorg- of hulpverlener.”  

GEORGANISEERDE SAMENWERKINGSVERBANDEN

Vanuit het werkveld worden deze geluiden toegejuicht. Toch wordt er ook verder gedacht en de ‘kleinere praktijken’ lijken in sommige gevallen al een punt van discussie. Recent plaatste huisarts Niels Rossen uit Venray een opiniestuk op de website van Medisch Contact waarin hij juist pleit voor grotere praktijken. Want – zo redeneert hij – ‘er zijn te weinig huisartsen om het streven van meer kleinere praktijken te realiseren, dus ligt juist de oplossing in het tegenovergestelde: praktijkvergroting’. Ook binnen zijn betoog is het de innige samenwerking met andere zorgverleners die de werkdruk moet gaan oplossen. “In de huisartsenposten heeft zich tijdens de ANW-diensten een ontwikkeling – met schaalvergroting en inhoudelijke verandering – voorgedaan. Dit verander-proces moeten we ook in de praktijk doorzetten en versnellen door van huisartsenpraktijken goed georganiseerde samenwerkingsverbanden rondom de patiënt te maken, waarbij de huisarts veel meer taken delegeert. Want veel zorg kan ook op een kwalitatief goede manier door andere zorgverleners dan de huisarts worden geleverd. De verloskundige kan tegenwoordig prima intrauterine devices (IUD’s) plaatsen, de fysiotherapeut kan een kniedistorsie beoordelen, maatschappelijk werk kan eenzaamheid bestrijden, het consultatiebureau werkt nauw samen met de kinderarts, de lactatiedeskundige helpt bij borstvoeding, de opticien meet de visus, de optometrist beoordeelt de complexere oogproblemen, de diëtist helpt bij gewichtsproblemen, audiciens bij gehoorproblemen et cetera. (…) Het verdelen van zorg met paramedici zal de zorg ook efficiënter maken, net als met de vrije toegang naar de fysiotherapeuten is gebeurd. En de paramedici hebben voldoende ruimte om dat op te vangen mits de zorgverzekeraars er financiële ruimte voor maken, want het knelpunt is nu vaak dat wij moeten verwijzen en dat patiënten dan hun eigen risico aanspreken. Ook binnen onze huisartsenpraktijken kunnen we meer delegeren: naar de spreekuurondersteuner, nurse practitioner en de praktijkondersteuners. Zo kan de POH-ggz de langdurige gesprekken overnemen, de POH-somatiek het stoppen met roken begeleiden en de diabeteszorg overnemen. Het intern opleiden van dit personeel is in enkele jaren te realiseren, in tegenstelling tot de veel langere opleidingstijd van een huisarts. Tekorten aan personeel zijn op te lossen door parttimers meer te laten werken en lonen te verhogen, maar dat is aan de politiek en de zorgverzekeraars.” 

NIEUWE BENADERING

Waar echter vaak overheen gekeken wordt is de samenwerking met de patiënt. Want ook die relatie is behoorlijk veranderd. Waar het in het verleden een ongelijkwaardige relatie was waarin de huisarts de beslissingen nam, is het nu de patiënt die de leiding heeft en de huisarts als hulpmiddel inzet om bepaalde gezondheidsdoelen te bereiken. Ook dat vraagt een nieuwe benadering. De patiënt is participerend, de te volgen paden komen via ‘shared decision making’ tot stand. Een patiënt vraagt zorg die aansluit op zijn of haar persoonlijke situatie en beslist – met de juiste kennis – mee over het te volgen pad. En ook daarbij verlangt hij dat de huisarts hem de juiste richting op wijst. De spin in het web, die vanuit die positie actief de samenwerking kan zoeken met exact de juiste (zorg)partijen die om zijn of haar praktijk heen cirkelen. Samenwerking dus op alle gebied; het lijkt dé sleutel voor het oplossen van de werkdruk. Samenwerking onderling, met andere praktijken, samenwerkingen binnen groepspraktijken en tussen verschillende disciplines, met de patiënt en uiteraard samenwerking tussen de eerste- en tweedelijnszorg. Met daarnaast een strakkere samenwerking met om de zorg heen cirkelende partijen als de farmaceutische industrie, de leveranciers van hulpmiddelen, ICT-medewerkers en meer. Er is eigenlijk geen keus. Goede zorg vraagt om extra focus op samenwerking. De huisarts kan het nu eenmaal niet alleen. Hoe hier optimaal de weg in te vinden? Het begint met openstaan voor samenwerking. De meerwaarde van partijen om je heen erkennen, of waar nodig uit te bouwen. HuisartsenService helpt u daarbij graag.